
Jongeren lezen geen boeken meer. Ontlezing heet dat en de zorgelijke commentaren over deze ontwikkeling domineren het discours van de maatschappelijke elite. In deze vijfdelige serie columns over ons leven in media wil ik juist het punt maken, dat dit einde van ons boeklezen niet alleen onvermijdelijk, maar ook opwindend is. In plaats van het passief en gedwee lezen van teksten welke ons minzaam doorgegeven worden vanuit de anderszins gesloten poorten van door beroepsrecensenten en bureauredacteuren gecontroleerde uitgevers, betekent lezen in een digitaal leven: schrijven.
Lezen is een vorm van consumeren: je koopt, leent of steelt een tekst welke panklaar geschreven, geredigeerd, gezet, gedrukt, verpakt tot je komt via een min of meer gerenommeerde winkel of bibliotheek. Soms lees je een boek samen met anderen in een leeskring of boekenclub, meestal lees je een boek alleen. Aan het eind gekomen verdwijnt zon boek in een kast of wordt het netjes teruggebracht naar de balie van de bieb. Er zijn momenten dat je de inzichten of ervaringen uit het boek deelt met vrienden of familieleden maar dat komt eigenlijk maar heel weinig voor. Sowieso hebben deze mensen (buiten een enkele
escapistische hype zoals de Da Vinci Code, de Celestijnse Belofte en de Harry Potter-reeks) steeds minder vaak hetzelfde boek gelezen.
Kortom: offline lezen is een vorm van geletterdheid die de sociale identiteit van de lezer reduceert tot passieve klant, tot anonieme consument, iemand die verondersteld wordt mooi te wachten op wat de hoge heren en dames van het schrijf-, uitgeef- en criticusgilde de moeite waard vinden om de moeite waard gevonden te worden.
Online lezen is een heel ander verhaal. Onderzoek naar en observaties van kinderen aan het werk op een computer met internetverbinding tonen aan dat lezen online een multimodale en vooral co-creatieve vorm van omgaan met woord, beeld en geluid is. Als we iets online zien komt dat vaak direct met een vervolg: een zoektocht naar meer informatie met Google, een tweede tabblad
open met een e-mail om het gevonden materiaal door te sturen, met daarnaast een chatvenster waarin vrienden en bekenden meebabbelen.
Audio- of videoclips en tekstfragmenten worden roekeloos bij elkaar geklikt, verder verzonden, of simpelweg samengesteld aan de hand van persoonlijke inzichten en voorkeuren. Het eindresultaat wordt geblogd, gepodcast, geüpload naar YouTube en weer verder besproken en doorgecommentarieerd. Geen enkele tekst is nog eindig, of is ooit af. Geen enkele informatie is onvindbaar, of staat ooit buiten kijf.
Twee rapporten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso) uit 2005 en 2007 over wat zij noemen The Participative Web laten zien dat onder 16 tot 24-jarigen het creatief en productief omgaan met informatie hun dominante activiteit online is. In de Verenigde Staten trekt de onderzoeksorganisatie Pew Internet & American Life Project al enige tijd vergelijkbare conclusies. Onderzoek van de reclame- en marketingindustrie laat al sinds enkele jaren zien dat van alle handelingen die jongeren verrichten, die met online media alle andere (inclusief slapen) verreweg overvleugelen. Studies onder
jongeren in Helsinki, Tokio, Bangkok, Chicago, Londen (meestal uitgevoerd
onder auspiciën van bedrijven als Yahoo! en Microsoft) laten hetzelfde beeld zien. Wat dit alles suggereert, is het ontstaan van een soort media meshing-gedrag onder de digitale generatie, waarbij verschillende media, verschillende handelingen, en juist ook verschillende rollen (maker en gebruiker, consument en producent, professional en amateur) gedeeltelijk of volledig geïntegreerd door elkaar heen lopen. De toekomstige tiener zal heus nog wel het verschil zien tussen
een serie online videoclips gemaakt door de buurjongen en de nieuwe film van Darren Aronofsky, maar om eerlijk te zijn betwijfel ik deze stelling terwijl ik schrijf. Want dat onderscheid doet er wellicht helemaal niet (meer) toe. In een leven in media is niet alles even waardevol, maar van waarde is alles evenzeer.
In een leven geleefd in media is niets meer waar, en alles is onderhandelbaar.
Voor elke visie en vooral elk beeld is er ook een andere, al dan niet gemanipuleerde of redigeerde, versie. Autoriteiten in welke vorm dan ook zijn onderhevig aan eindeloze toetsing niet alleen door beroepsrecensenten, maar door iedereen. Ik weet niet of deze vorm van collectieve intelligentie een betere is dan die van de centraal gestuurde (maar toch ook veelal goedbedoelde) massacultuur. Maar er zit wel degelijk een opwindend aspect van democratisering van onderop achter dit alles. Ofwel: ontlezing is een vorm van ontworsteling. De vraag is, wat nu de constante is: de ontworstelde tieners, of de consumerende klant? Gezien de tijd en energie die het kost, is het haast te verwachten dat al die participatie, co-creatie en interactie een keer ophoudt. Hier biedt wat mijn co-auteur van het boekje Pop-Up (Atlas, 2007), Henk Blanken, de Wet van de Navelpiercing noemt, uitkomst. Hij citeert regelmatig met verve Amerikaans onderzoek waaruit blijkt dat wie op zijn 25ste nog geen piercing heeft laten
zetten, dat de rest van zijn leven vrijwel zeker niet meer zal doen. Volgens Blanken zelf hoofdredacteur van een regionaal dagblad gaat het precies zo met kranten. Wie in zijn jeugd of als jongvolwassene geen krant heeft leren lezen, begint er waarschijnlijk nooit meer aan. Laat ik zijn lijn maar doortrekken: er is geen enkele empirische reden om aan te nemen dat iemand die opgegroeid is in een weelde van volstrekt controleerbare, co-creatieve, en interactieve media,
op een zeker moment berustend zal terugschakelen naar statische, hiërarchische en daarmee ook oeverloos vervelende massamedia. En misschien is dat ook maar beter.
Auteur
Mark Deuze is o.a. hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media in Leiden.
Een uitgebreid interview met hem verscheen in Tekstblad 2008/2.
Verschenen in Tekstblad 4, augustus2008