
Margreet Onrust
Maak er, in je streven naar korte zinnen, geen gehakt van. Want dan verspeel je zowel begrip als waardering. Aldus Margreet Onrust, verbonden aan de opleiding Nederlands van de Vrije Universiteit Amsterdam.
Het komt de laatste maanden nogal eens voor dat er maatregelen en zelfs hele grondwetten worden samengevat of uitgelegd aan het grote publiek. Opvallend vaak kiest men daarbij voor een rigoureuze beknotting van zinslengte. Passages als (1) en (2) zijn bijvoorbeeld kenmerkend voor de brochures die geschreven zijn in het kader van het Referendum over Europa:
(1) In de Commissie zit momenteel één commissaris per lidstaat. Vanaf 2014 wordt de Commissie kleiner. Het aantal leden wordt dan gelijk aan tweederde van het aantal lidstaten. De leden worden dan gekozen volgens een toerbeurtsysteem. Het Verdrag voert een minister van Buitenlandse Zaken in. Deze is tevens één van de vice-voorzitters van de Commissie.
[Samenvatting van het verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa, van de onafhankelijke Referendumcommissie]
(2) Vrede, voorspoed en veiligheid. Daarover gaat de Europese grondwet. De toekomst van Europa en van Nederland. Dat is ook uw toekomst. Laat niet alleen
anderen daarover beslissen.
[Europese grondwet, van de Nederlandse regering]
Blijkbaar denkt men dat korte zinnen het recept zijn voor een tekst die iedereen moet kunnen begrijpen. In zijn oratie citeerde de Utrechtse hoogleraar Ted Sanders een fragment uit een schoolboek voor vmbo-leerlingen waaruit
dezelfde overtuiging spreekt:
(3) Bouterse bleek een dictator.
Hij regeerde in zijn eentje.
Hij liet zelfs zes mensen vermoorden.
Bouterse werd weer aan de kant gezet.
Wanneer gaat het echt goed met Suriname?
In Suriname telt ieder volk graag mee.
Elkaar vertrouwen blijft moeilijk.
Dat korte zinnen een tekst makkelijk te begrijpen maken klinkt als een welbekende schrijfwijsheid. Maar waar staat die eigenlijk? Niet in Renkemas Schrijfwijzer, die toch bij elke overheidsfunctionaris op het bureau ligt. Renkema
stelt weliswaar dat lange zinnen doorgaans ingewikkelder zijn dan korte (en dat
het dus in zijn algemeenheid een goed idee is om een lange zin te splitsen), maar
hij nuanceert deze stelling onmiddellijk: een lange zin hoeft niet altijd moeilijk te zijn. Leesbaarheid en begrijpelijkheid zit hem niet in de lengte maar in de structuur. Al is het natuurlijk wel zo dat structuurproblemen meer kans krijgen naarmate een zin langer is; hoe meer ruimte, hoe meer mogelijkheid tot bijzinnen en andere extras.
Dat laatste is ook de boodschap in een ander veelgebruikt naslagwerk, Eric Tiggelers Vraagbaak Nederlands. Ook hier wordt de lezer voorgehouden dat lange zinnen niet per definitie slecht te volgen zijn, als de informatie maar keurig
op een rijtje staat. Dat is niet het geval, aldus Tiggeler, bij tangconstructies, lange aanlopen of veelvuldige onderbrekingen in de vorm van bijzinnen of andere ingelaste mededelingen.
Met lange zinnen loop je dus meer risico op structuurproblemen, is de feitelijke boodschap van de schrijfadviseurs. Wellicht redeneren veel tekstschrijvers dat het gebruik van korte zinnen dan dus ieder risico op structuurproblemen uitsluit, en daarmee volautomatisch voor begrijpelijke teksten zorgt. Recent wetenschappelijk onderzoek suggereert echter dat dat laatste niet waar is. Korte zinnen, dus zinnen met een simpele (simplistische?) structuur, hoeven niet per se makkelijk te zijn. Extreem gebruik van korte zinnen levert namelijk een nieuw probleem op: je krijgt teksten met veel te weinig markeerders van samenhang.
In voorbeeld (3) is dat euvel goed zichtbaar: de beide zinnen Bouterse bleek een dictator. Hij regeerde in zijn eentje staan achter elkaar zonder dat expliciet duidelijk wordt wat het verband tussen die twee mededelingen is. In het
onderzoek werd duidelijk dat in ieder geval vmboers meer hebben aan teksten waarbij signalen over tekstsamenhang (want, namelijk etc.) nadrukkelijk gegeven worden, zelfs als dat er toe leidt dat korte zinnen daarmee worden
samengevoegd tot iets langere en complexere zinnen. Het expliciteren van samenhang blijkt bovendien niet alleen te leiden tot meer begrip, maar ook tot meer waardering voor de tekst.
Er zijn dus goede redenen om het imago van de korte zin eens krachtig aan te pakken. Ik voeg er nog twee aan toe. Het misverstand dat lange(re) zinnen per se moeten worden opgebroken leidt tot een stilistische ergernis die ik in navolging van Eric Tiggeler de dit omdat-zin zou willen noemen:
(4) Het leasen van personenautos neemt de laatste jaren een grote vlucht. Dit omdat leasen zowel voor de rijder als voor de wagenparkbeheerder grote voordelen meebrengt.
(5) Als het gaat om de vergunning voor de bouw van een transporthal door de firma Orbin, zal de gemeente binnen veertien dagen de situatie ter plaatse bekijken. Dit in verband met het verzoek om een snelle beslissing door Orbin.
[voorbeelden uit de Vraagbaak Nederlands]
De dit omdat-zin is het gevolg van een veelgebruikt, bijna dwangmatig toegepast opbreektrucje: een te lange zin repareer je door de bijzin eruit te halen en simpelweg naast de zin te zetten.
Mijn tweede reden is van groter algemeen belang. Nu het politieke klimaat voorschrijft dat het maar eens uit moet zijn met al die brochures in de eigen taal (Turks, Arabisch, Engels), worden er steeds vaker brochures van grotere en kleinere overheden herschreven voor van oorsprong anderstaligen met een niet volmaakte kennis van het Nederlands. Ook hier lijken de herschrijvers massaal naar het wapen van de korte zin te grijpen.
Twee voorbeelden:
(6) Roken is verslavend. Dat betekent dat mensen erg gewend zijn aan roken. Het lijkt alsof ze niet zonder kunnen. Daardoor kan stoppen met roken heel moeilijk zijn. Toch stoppen elk jaar ruim 100.000 mensen. Mensen die willen stoppen zijn bang dat ze het roken gaan missen. Of ze zijn bang dat ze dikker worden. Soms weten ze niet zeker of ze wel kunnen stoppen.
[Uit: Stoppen met roken; willen en doen van Stivoro, speciaal geschreven voor anderstaligen met een beperkte taalvaardigheid]
(7) Woont u in Dordrecht, en heeft u één of meer honden? Dan moet u hondenbelasting betalen. U betaalt deze belasting voor elke maand dat u uw hond(en) heeft. U betaalt voor elke hond apart. Eén keer per jaar ontvangt u een aanslag. Hierop staat een bedrag voor elke maand dat u uw hond(en) heeft gehad. Dit is het maandtarief. Meestal betaalt u dus 12 keer het maandtarief.
[Uit: Bij de aanslag hondenbelasting 2003, Gemeente Dordrecht, speciaal geschreven voor anderstaligen]
Als hier de gedachte achter zit dat korte zinnen een garantie voor begrijpelijkheid zijn, hebben we een probleem. Deskundigen op het gebied van Nederlands als tweede taal denken bij begrijpelijkheid namelijk veel eerder aan andere
dingen dan aan zinslengte. Zij zouden in (6) bijvoorbeeld haastig gaan strepen in twee, keurig korte, zinnen:
(6a) Het lijkt alsof ze niet zonder kunnen.
(6b) Soms weten ze niet zeker of ze wel kunnen stoppen.
Niets is rampzaliger dan het gebruik van idiomatische uitdrukkingen als niet zonder kunnen (6a) of het hebben over. Voor iemand met een suboptimale beheersing van het Nederlands staan hier al gauw drie woorden naast elkaar waarvan de afzonderlijke (letterlijke) betekenis dan wel bekend mag zijn, maar de gezamenlijke een raadsel is.
In (6b) is het woordje wel een struikelblok. Natuurlijk is de (letterlijke) betekenis van het woord afdoende bekend: wel is het tegenovergestelde van niet. Alleen de betekenis die wel hier heeft is van een andere, onbekende orde. Net als andere bijwoorden met een marginale betekenis (eigenlijk, nog, echt, en vooral er) verstoort zon woordje het goede begrip.
De begrijpelijkheid van teksten voor anderstaligen wordt kortom vooral door woordkeus bepaald. Zinnen van slechts acht woorden kunnen met groot gemak voor verkeerde interpretaties zorgen als er eentje onhandig gekozen is.
Zie hiervoor (7a):
(7a) Meestal betaalt u dus twaalf keer het maandtarief.
Twaalf keer het maandtarief is een kristalheldere uitdrukking voor iedereen die het Nederlands vanuit de wieg geleerd heeft. Maar hoe groot is de kans dat een van oorsprong anderstalige denkt dat hij of zij twaalf keer moet betalen? De Schrijfwijzer heeft gelijk: De vraag hoelang een zin mag zijn, is even oppervlakkig als de vraag hoe groot een schilderij mag zijn of hoe lang een diner mag duren (Renkema 2002).
Verschenen in Tekstblad 3, 2005
Naar het overzicht artikelen 'Tekst, taal en overheid'.
Zie hiervoor T. Sanders (2005), Tekst doordenken. Taalbeheersing als
studie van taalgebruik en tekstkwaliteit. Tijdschrift voor Taalbeheersing 27, 58-74.
J. Renkema (2002). Schrijfwijzer. Sdu Uitgevers, Den Haag. De kwestie van zinslengte wordt behandeld op blz 78-80
E. Tiggeler (2003), Vraagbaak Nederlands. Sdu Uitgevers, Den Haag.
Zinslengte komt aan de orde op bladzijde 179 en 180.
Land, T. Sanders, L. Lentz en H. van den Bergh (2002), Coherentie
en identifi catie in studieboeken. Een empirisch onderzoek naar tekstbegrip
en tekstwaardering op het vmbo. Tijdschrift voor Taalbeheersing
24, 281-302.